Artikel 13Van de voorzienigheid Gods en regering aller dingen

Wij geloven, dat die goede God, nadat Hij alle dingen geschapen had,
deze niet heeft laten varen, noch aan het geval of de fortuin overgegeven, a
maar ze naar Zijn heiligen wil alzo stiert en regeert,
dat in deze wereld niets geschiedt zonder Zijn ordinantie; b
hoewel nochtans God noch auteur is,
noch schuld heeft van de zonde, die er geschiedt. c
Want Zijn macht en goedheid is zo groot en onbegrijpelijk,
dat Hij zeer wel en rechtvaardiglijk Zijn werk beschikt en doet,
ook wanneer de duivelen en Goddelozen onrechtvaardiglijk handelen. d

En aangaande hetgeen Hij doet
boven het begrip des menselijken verstands,
datzelve willen wij niet curieuselijk onderzoeken,
meer dan ons begrip verdragen kan;
maar wij aanbidden met alle ootmoedigheid en eerbied
de rechtvaardige oordelen Gods die ons verborgen zijn; e
ons tevreden houdende dat wij leerjongeren van Christus zijn,
om alleen te leren hetgeen Hij ons aanwijst in Zijn Woord,
zonder deze palen te overtreden. f

Deze lering geeft ons een onuitsprekelijken troost,
als wij door haar geleerd worden
dat ons niets bij geval overkomen kan,
maar door de beschikking onzes goedertierenen hemelsen Vaders,
Die voor ons waakt met een vaderlijke zorg,
houdende alle schepselen onder Zijn heerschappij,
alzo dat niet één haar van ons hoofd (want die zijn alle geteld),
ook niet één musken op de aarde vallen kan,
zonder den wil onzes Vaders,
Math. 10:29-30.
Waarop wij ons verlaten, wetende,
dat Hij de duivelen in den toom houdt,
en al onze vijanden, die ons,
zonder Zijn toelating en wil, niet schaden kunnen. g
En hierin verwerpen wij de verdoemelijke dwaling der Epicureën,
dewelke zeggen, dat Zich God nergens mede bemoeit,
en alle dingen bij geval laat geschieden.

Bewijsteksten

a

En Jezus antwoordde hun: Mijn Vader werkt tot nu toe, en Ik werk ook. Johannes 5:17

Dewelke, alzo Hij is het Afschijnsel Zijner heerlijkheid, en het uitgedrukte Beeld Zijner zelfstandigheid, en alle dingen draagt door het woord Zijner kracht, nadat Hij de reinigmaking onzer zonden door Zichzelven te weeg gebracht heeft, is gezeten aan de rechter hand der Majesteit in de hoogste hemelen. Hebreeën 1:3

b

Onze God is toch in den hemel, Hij doet al wat Hem behaagt. Psalmen 115:3

De mens heeft schikkingen des harten; maar het antwoord der tong is van den HEERE. Spreuken 16:1

Het hart des mensen overdenkt zijn weg; maar de HEERE stiert zijn gang. Spreuken 16:9

Het lot wordt in den schoot geworpen; maar het gehele beleid daarvan is van den HEERE. Spreuken 16:33

Des konings hart is in de hand des HEEREN als waterbeken. Hij neigt het tot al wat Hij wil. Spreuken 21:1

In Hem, in Welken wij ook een erfdeel geworden zijn, wij, die te voren verordineerd waren naar het voornemen Desgenen, Die alle dingen werkt naar den raad van Zijn wil. Efeze 1:11

Welaan nu gij, die daar zegt: Wij zullen heden of morgen naar zulk een stad reizen, en aldaar een jaar doorbrengen, en koopmanschap drijven, en winst doen. Gij, die niet weet, wat morgen geschieden zal, want hoedanig is uw leven? Want het is een damp, die voor een weinig tijds gezien wordt, en daarna verdwijnt. In plaats dat gij zoudt zeggen: Indien de Heere wil, en wij leven zullen, zo zullen wij dit of dat doen. Jakobus 4:13-15

Daarom zie, Ik zal u verzamelen tot uw vaderen, en gij zult met vrede in uw graf verzameld worden, en uw ogen zullen al het kwaad niet zien, dat Ik over deze plaats brengen zal. En zij brachten den koning het antwoord weder. 2 Koningen 22:20

c

Niemand, als hij verzocht wordt, zegge: Ik word van God verzocht; want God kan niet verzocht worden met het kwade, en Hij Zelf verzoekt niemand. Jakobus 1:13

Want al wat in de wereld is, namelijk de begeerlijkheid des vleses, en de begeerlijkheid der ogen, en de grootsheid des levens, is niet uit den Vader, maar is uit de wereld. 1 Johannes 2:16

d

En hij zeide: Naakt ben ik uit mijner moeders buik gekomen, en naakt zal ik daarhenen wederkeren. De HEERE heeft gegeven, en de HEERE heeft genomen; de Naam des HEEREN zij geloofd! Job 1:21

Wee den Assyrier, die de roede Mijns toorns is, en Mijn grimmigheid is een stok in hun hand! Jesaja 10:5

Zal de bazuin in de stad geblazen worden, dat het volk niet siddere? zal er een kwaad in de stad zijn, dat de HEERE niet doet? Amos 3:6

Dezen, door den bepaalden raad en voorkennis Gods overgegeven zijnde, hebt gij genomen, en door de handen der onrechtvaardigen aan het kruis gehecht en gedood. Handelingen 2:23

e

Verder zeide hij: Daarom hoort het woord des HEEREN: Ik zag den HEERE, zittende op Zijn troon, en al het hemelse heir staande nevens Hem, aan Zijn rechter hand en aan Zijn linkerhand. En de HEERE zeide: Wie zal Achab overreden, dat hij optrekke en valle te Ramoth in Gilead? De een nu zeide aldus, en de andere zeide alzo. Toen ging een geest uit, en stond voor het aangezicht des HEEREN, en zeide: Ik zal hem overreden. En de HEERE zeide tot hem: Waarmede? En hij zeide: Ik zal uitgaan, en een leugengeest zijn in den mond van al zijn profeten. En Hij zeide: Gij zult overreden, en zult het ook vermogen; ga uit en doe alzo. Nu dan, zie, de HEERE heeft een leugengeest in den mond van al deze uw profeten gegeven; en de HEERE heeft kwaad over u gesproken. 1 Koningen 22:19-23

En gelijk het hun niet goed gedacht heeft God in erkentenis te houden, zo heeft God hen overgegeven in een verkeerden zin, om te doen dingen, die niet betamen. Romeinen 1:28

En daarom zal God hun zenden een kracht der dwaling, dat zij de leugen zouden geloven. 2 Thessalonicenzen 2:11

f

De verborgene dingen zijn voor den HEERE, onzen God; maar de geopenbaarde zijn voor ons en voor onze kinderen, tot in eeuwigheid, om te doen al de woorden dezer wet. Deuteronomium 29:29

En deze dingen, broeders, heb ik op mijzelven en Apollos bij gelijkenis toegepast, om uwentwil; opdat gij aan ons zoudt leren, niet te gevoelen boven hetgeen geschreven is, dat gij niet, de een om eens anders wil, opgeblazen wordt tegen den ander. 1 Korinthe 4:6

g

Nu dan, gij hebt mij herwaarts niet gezonden, maar God Zelf, Die mij tot Farao's vader gesteld heeft, en tot een heer over zijn ganse huis, en regeerder in het ganse land van Egypte. Genesis 45:8

Gijlieden wel, gij hebt kwaad tegen mij gedacht; doch God heeft dat ten goede gedacht; opdat Hij deed, gelijk het te dezen dage is, om een groot volk in het leven te behouden. Genesis 50:20

Maar de koning zeide: Wat heb ik met u te doen, gij zonen van Zeruja? Ja, laat hem vloeken; want de HEERE toch heeft tot hem gezegd: Vloek David; wie zou dan zeggen: Waarom hebt gij alzo gedaan? 2 Samuël 16:10

En wij weten, dat dengenen, die God liefhebben, alle dingen medewerken ten goede, namelijk dengenen, die naar Zijn voornemen geroepen zijn. Romeinen 8:28

Want ik ben verzekerd, dat noch dood, noch leven, noch engelen, noch overheden, noch machten, noch tegenwoordige, noch toekomende dingen, Noch hoogte, noch diepte, noch enig ander schepsel ons zal kunnen scheiden van de liefde Gods, welke is in Christus Jezus, onzen Heere. Romeinen 8:38-39

Die de zonde doet, is uit den duivel; want de duivel zondigt van den beginne. Hiertoe is de Zoon van God geopenbaard, opdat Hij de werken des duivels verbreken zou. 1 Johannes 3:8

origineel
SV
onder tekst
16
leermodusleren